Biersoorten

ABDIJBIEREN: Al in de vroege middeleeuwen werden de  kloosterbieren tot de allerbeste gerekend. Aan de eeuwenoude traditie om in kloosters bier te brouwen kwam een einde met de Franse Revolutie, toen de kloosters werden afgeschaft. Alleen de trappisten namen vanaf de Belgische onafhankelijkheid de brouwtraditie weer op. De ‘moderne’ abdijbieren dateren veelal van na de Tweede Wereldoorlog. Brouwers probeerden toen een graantje mee te pikken van het kwaliteitsimago van de trappisten door voor hun bieren een naam te kiezen die naar een abdij verwees.
De abdijbieren zijn dan ook vergelijkbaar met de trappistenbieren, maar ze worden niet in een abdij gebrouwen door – of onder leiding van – monniken. Het zijn allemaal min of meer zware degustatiebieren  van  hoge gisting. De variëteit in geuren en smaken is wel groter dan bij de trappistenbieren – er zijn dan ook veel meer abdijbieren – maar de zure smaak komt niet voor.
Abdijbieren zijn en blijven voorlopig een bijna uitsluitend Belgisch fenomeen.

 

Erkend Belgisch Abdijbier. Het gemeenschappelijk merk mag slechts gebruikt worden door de leden van de Unie der Belgische Brouwerijen (die een schriftelijke overeenkomst met de Unie der Belgische Brouwerijen ondertekend hebben).

 

ALE: In Groot – Brittanië maken ze een onderscheid tussen ale en beer; beer is laag gegist en ale is hoog gegist. Vooral na de Eerste Wereldoorlog is ook in België een aantal brouwerijen begonnen met het brouwen van bieren in Engelse stijl omdat deze overzeese bieren toen veel succes kenden. De in Engelse stijl gebrouwen bieren zijn meestal koperkleurig en bevatten weinig koolzuurgas. Naargelang van hun bitterheid spreekt men over ‘mild’ en ‘bitter’, maar ook de benaming ‘IPA’ (India Pale Ale) komt veel voor.

 

BLOND/DUBBEL/TRIPEL: De aanduidingen ‘dubbel’ (voor een donker abdijbier) en ‘tripel’ (voor een blond abdijbier) zijn in België, vooral in de abdijbierensector, schering en inslag. Ze zijn geïnspireerd op de Westmalle Dubbel en Tripel, die respectievelijk vanaf 1922 en 1934 op de markt zijn. De aanduiding ‘blond’ vindt haar oorsprong dan weer niet bij de trappisten, maar bij de abdijbieren. Voor veel consumenten vormen deze blonde abdijbieren trouwens de opstap van lagegistingsbieren, zeg maar pils, naar de wereld van de speciale bieren. Die worden beschouwd als luxueuzer (het glas alleen al) en dus beter dan een pils, waarvan deze ‘blondjes’ in kleur, helderheid, schuim en alcoholgehalte niet veel verschillen. Hert idee om een blond abdijbier  te gaan brouwen komt uit Frankrijk, waar de Leffe (die daar aleen maar in een donkere versie bestond) geen bijval kende tot er in de jaren 1980 met veel succes een blonde versie van op de markt kwam. Vanaf 1990 begonnen ook de anderen abdijbieren dergelijke ‘blondjes’ te introduceren zodat er uiteindelijk ook blond bier kwam zonder de notie abdijbier.

 

BOCK: Het brouwen van bockbieren is geen Belgische traditie, alhoewel er toch enkele Belgische brouwers zijn die ze maken. In Nederland is dit biertype echter uitgegroeid tot het meest gebrouwen speciaalbier van het land. Dit bockbier werd in de tweede helft van de negentiende eeuw in Nederland geïntroduceerd vanuit Duitsland.
Wegens zijn maandenlange lagertijd kwam bockbier aanvankelijk pas op de markt rond februari/maart. Maar tijdens het interbellum werd het reeds uitgeleverd in december. De laatste decennia werd dat nog vervroegd tot eind september, waardoor het als herfstbier beschouwd kan worden. Het is een donker bier van hoge gisting met de nadruk op het moutbittere en karamelkarakter.

 

BRUTBIEREN: Een manier om bier te conditioneren die de laatste jaren bij enkele Belgische brouwers opgang maakte is het volledig toepassen van de méthode champenoise. Het gaat hierbij om bieren die in de fles hergist zijn om nadien, zoals bij champagne, een remuage en een dégorgement te ondergaan. Deze bieren worden dan ook uitsluitend afgevuld in champagneflessen die afgesloten worden met een champagnekurk en een muilbandje. Ze worden vooral gedronken als aperitief.

 

FARO: Faro is even oud als lambik en ontstond uit de tweede doorloop bij het brouwen van die laatste. Tot het einde van de negentiende eeuw was faro het meest gedronken bier in het Brusselse, omdat het goedkoop en lichtalcoholisch was. Faro wordt nu gemaakt door aan spontaan gegiste lambik gebrande suiker of vloeibare kandij toe te voegen, zodat het bier een zoetzure smaak krijgt.
In de tijd dat faro een bier van elke dag was, werd de versgemaakte faro in houten vaten in de cafés afgeleverd; de omzet was groot genoeg om te beletten dat de toegevoegde suiker aan het gisten zou gaan. Vandaag, met heel wat minder omzet, wordt faro in flessen afgevuld. Om gisting in de fles te voorkomen, wordt het bier vervolgens gepasteuriseerd. Maar pas op: hoewel de benaming ‘faro’ Europese bescherming geniet, zijn er toch nog altijd brouwers die hun zoete donkere tafelbieren ook ‘faro’ noemen.
Faro behoort samen met lambik, oude geuze en oude kriek tot de familie van de spontaan gegiste bieren die nog uitsluitend in België gemaakt worden.

 

FRUITBIER: Hoewel in de streek rond Brussel al sinds eeuwen fruit – en dan vooral Schaarbeekse krieken – op lambik gestoken worden, dateert het oudste recept van fruitbier pas van 1886. Oorspronkelijk werd dit bier gemaakt door de bewoners van de buitengemeenten rond Brussel als vorm van huisvlijt, maar vanaf circa 1900 begonnen ook brouwers kriek en framboos te maken.
De laatste decennia wordt het fruit steeds meer vervangen door fruitpulp of sap en worden deze bieren aangezoet. Sinds 1992 maken we daarom onderscheid tussen kriek, die aangezoet is, en oude kriek, die niet is aangezoet. Vooral de laatste jaren hebben de brouwers nieuwe fruitbieren (cassis, banaan, appel, aardbei, perzik, …..) gecreëerd, die vooral gericht zijn op de jeugd. Om toch een graantje mee te pikken van het succes van de fruitbieren, bieden brouwers ook steeds meer fruitbieren aan op basis van andere biersoorten, vaak witbier of oud bruin.

 

KRUIDENBIEREN:  Wanneer een bier op smaak gebracht wordt met andere kruiden dan hop, spreekt men over een kruidenbier, alhoewel die aanduiding zelden op het etiket vermeld zal worden. Voor de introductie van de  hop bij het brouwen van bier werden kruiden gebruikt die in de Lage Landen bij de zee bekendstonden als ‘gruit’. Toen later bleek dat hop de bewaarbaarheid van het bier sterk verbeterde, gebruikten de brouwers steeds minder andere kruiden. In sommige landen werd het gebruik ervan zelfs wettelijk verboden, in Duitsland bijvoorbeeld door het Reinheidsgebot van 1516. Alleen in België bleven de brouwers het gebruik van kruiden getrouw.

 

LAMBIK: Lambik is een bier van spontane gisting – dus zonder toevoeging van een reingistcultuur – op basis van wort die bereid is met ten minste 30 % ongemoute tarwe naast uiteraard gerstemout. Het oudste recept van dit bier werd genoteerd door Remy le Mercier, de stadsontvanger van Halle in 1559 ‘zes delen tarwe en tien delen gerst, zoals men vanouds placht te doen’.
Typisch voor dit bier is de lange kooktijd (tot drie uur), het gebruik van grote hoeveelheden overjaarse hop en de afkoeling in open koelbakken. Deze laatste fase is cruciaal: bacteriën uit de omgevingslucht (onder andee Brettanomyces bruxellensis en Brettanomyces lambicus) enten zich op het wort, zodat de gisting (in houten tonnen) kan beginnen. Lambik is een echt seizoensbier: het wordt uitsluitend gebrouwen in de winter. Het bier is traditioneel plat, wat wil zeggen dat het zonder CO2 wordt geschonken en gedronken, maar sinds enkele decennia gebruikt men het vooral als basisbier voor oude geuze, geuze en fruitbier.

 

OUD BRUIN/ROOD BRUIN: ‘De met oude of verzuurde bieren gemengde jonge gerstebieren zin ongemeen goed houdbaar en verbeteren zelfs door lagering. Deze bieren zijn de echte Vlaamse bieren en waren voor 1914 gezocht’ schreef Hendrik Verlinden in 1916. Toen werden deze oud bruine bieren nog overal in België gebrouwen, maar intussen is hun productiegebied ingekrompen tot de provincies Oost – Vlaanderen, met Oudenaarde als belangrijkste centrum.
Deze bieren zijn traditioneel van gemengde gisting – zowel met reingistcultuur als met (merlkzuur)bacteriën – en worden gekenmerkt door een rinse zurigheid in combinatie met zoet. Bieren van gemengde gisting worden alleen in België gebrouwen.
Wat oud bruin is voor Oost – Vlaanderen, is in West – Vlaanderen rood bruin. Zo kregen onder andere Duchesse de Bourgogne en Vichtenaar, beide bieren van brouwerij Verhaeghe uit Vichte, het label streekproduct, uitgereikt door de VLAM onder de naam ‘Rood bruin uit Zuidwest – Vlaanderen’. Het lastenboek van het rood bruin bier uit West – Vlaanderen maakt duidelijk dat product – technisch er wel degelijk een verschil bestaat tussen de West – Vlaamse rood bruine bieren en hun Oost – Vlaamse oud bruine broertjes, hoewel zijn afstammen van hetzelfde biertype.

OUDE GEUZE/GEUZE: Oude geuze ontstaat door het mengen van oude en jonge lambik, die vervolgens nagist in de fles. Doordat de karakteristieke smaken van de lambiksoorten worden overgebracht op de geuze, is de keuze ervan zeer belangrijk. De verhouding jonge tegenover oude kan variëren  van 30-70 tot 15-85 voor een klassieke oude geuze. De jonge levert de nodige suikers en de levende gistcellen om het mengsel in de fles verder te laten gisten.
Moderne geuze gist niet na in de fles, maar wordt gefilterd, gesatureerd, gepasteuriseerd en veelal aangezoet. Oude geuze wordt meestal aangeboden in flessen van 37.5 en 75 centiliter met kurk, geuze in flessen van 25 centiliter met kroonkurk. Oude geuze smaakt rins en ook zurig, wat hem geschikt maakt als dorstlesser bij zomers weer. Geuze is veeleer zoetzuur en derhalve toegankelijker voor een breed publiek.

 

PILS: Pils is het meest gedronken bier, niet alleen in België, maar ook wereldwijd. Het bier ontstond in 1842 in Plzen (Pilsen) in het huidige Tsjechië, met de doorbraak van de lage gisting. De mooie, goudblonde kleur van het bier kwam bijzonder goed tot haar recht in bierglazen, die toen opgang maakten in Bohemen, in een tijd waarin men in ons land het bier nog dronk uit houten, stenen, tinnen ….. potten.
Via Boheemse kuuroorden (Karlovy Vary of Karlsbad en Maranské Lazne of Marienbad), waar de groten der aarde zich toen lieten verzorgen, verspreidde de pils zich snel naar Beieren, Oostenrijk en Denemarken en zo over heel Europa. Omstreeks 1880 – de spoorweg was toen in volle expansie – werd de eerste pils in België ingevoerd, maar het duurde nog tot de late jaren 1920 alvorens de eerste Belgische pils het licht zag.

 

SAISON: Vooral de provincie Henegouwen is de thuisbasis van dit moeilijk te omschrijven biertype. Het oudste recept van een saison dateert van 1785. Het bier werd gebrouwen op de hoeve Cuvelier in Pipaix om in de winter de knechten aan het werk te kunnen houden en tijdens de zomer hun dorst te lessen. Het bier moest krachtig genoeg zijn om maanden te bewaren, maar mocht als zomerse dorstlesser ook niet te zwaar zijn. Deze bieren werden daarom sterk gehopt ofwel sterk gekruid.
Saisonbieren hebben een blonde tot oranje kleur en een dichte schuimkraag. In Henegouwen zijn nog altijd enkele producenten actief, veelal als voortzetting van de vroegere hoevebrouwerijen. Maar omdat dit biertype buiten zijn productiegebied nagenoeg onbekend is, behoren de saisons tot de meest bedreigde biersoorten van het land.

 

SPECIALE BELGE: De benaming ‘speciale belge’ is bij het grote publiek nagenoeg onbekend. Nochtans behoren heel wat Belgische doordrinkbieren tot dit biertype. Ze zijn amber – tot koperkleurig en hebben een alcoholgehalte van rond de  vol %, net als de pilsbieren. De eerste ‘belge’ zag het licht in  1904 (Belge du Faleau) en kwam als winnaar uit de bus bij een wedstrijd in Luik, georganiseerd door de Belgische brouwerijscholen om de kwaliteit van het Belgisch bier op te vijzelen.
Wegens het succes kreeg dit origineel al snel navolging, vooral in de provincies Brabant en Antwerpen. Deze bieren kregen het voorvoegsel ‘speciale’ of het achtervoegsel ‘ale’ (verwijzend naar de Britse pale ale, die ongeveer dezelfde kleur heeft). Spciale belges zijn zachte bieren met een gistachtige en kruidige smaak,. Op de kleur na hebben deze bieren weinig gemeen met de Engelse ales.

 

SPECIALE BIEREN: Hoewel België heel wat biersoorten, biertypes en brouwwijzen kent, is er toch nog altijd een (groot) aantal bieren dat niet binnen één van de hier behandelde categorieën valt. Deze bieren, nagenoeg allemaal van hoge gisting en met heel wat geur -, kleur -, smaak – en alcoholpotentieel, klasseren wij daarom onder de noemer ‘speciale bieren’.
Zij kunnen blond, amberkleurig tot donker zijn en het alcoholgehalte kan variëren van 5 % (zowat het minimum voor bier in België, afgezien van de niet – alcoholische (NA), de laagalcoholische (LA) en de tafelbieren) tot 13 % (Bush Prestige). In deze categorie vind je alle mogelijke smaken (vooral zoet en bitter) in alle mogelijke intensiteiten en combinaties.

 

WITBIER: In Europa waren historisch slechts twee gebieden rijk genoeg om dure tarwe, die vooral bedoeld was als voedsel voor mensen, om te zetten in bier: Beieren en Brabant. Het epicentrum van het witbier of tarwebier in België was de streek Hoegaarden – Leuven. Tot de negentiende eeuw was tarwebier goed voor 75 % van de Belgische bierproductie, een rol die later overgenomen werd door de pilsbieren.
Na de Tweede Wereldoorlog verloor het witbier de gunst van de consumenten, onder andere door zijn troebelheid. In 1958 sloot de laatste witbierbrouwer in Hoegaarden, brouwerij Tomsin, de deuren. Dat vandaag in België nog witbier wordt gebrouwen, hebben wij te danken aan Pierre Celis, die goed tien jaar later de oude brouwtraditie nieuw leven inblies.
Typerend voor witbier is de witgele kleur, het troebele voorkomen en de frisse, kruidige smaak. Het bier wordt gebrouwen met zogoed als gelijke delen gerstemout en ongemoute tarwe en is op smaak gebracht door onder andere koriander en bittere sinaasappelschil.